Haar grafische werk:
"portretten" van historische orgels in Nederland

Susanna
Veerman en Frans van Leeuwen
Tussen alle lessen,
examens, repetities, concerten en reizen door weet zij toch tijd te vinden
om enkele van de mooiste orgels die ons land rijk is, heel sfeervol, en
krachtig van lijnvoering en met heel veel smaak en kennis van zaken, en
liefde voor haar vak, in prent te brengen.
Deze orgelprenten, meteen in vakkringen heel populair, heeft zij dikwijls
uitgevoerd in een heel bijzondere en originele grafische techniek,
namelijk de klassieke droge-naaldtechniek, maar dan gecombineerd met een
heel speciale vorm van mezzotint. Deze combinatie blijkt bijzonder
geschikt om alle verrassende en boeiende tonaliteiten weer te geven die
zulke fraai gevormde grote meubels in de kerkruimte voor ons oog
ontvouwen: heel dat brede tintengamma, vanaf de donkerste holten en nissen
tot en met de hoogste glimlichten op de orgelpijpen en
op het rijkgeornamenteerde, goed in de was gezette en vaak uitbundig
vergulde eikenhout.

Bätz-orgel
in de Ronde Lutherse Kerk in Amsterdam. (Heden onderdeel van het
Renaissance Hotel).Susanna Veerman 2001
vernis mou, aquatint en mezzotint (270 x 180mm)
Omdat bij de emissie
van deze Website de tekst, die de Hr. Jochem Boersma had gehoopt bijtijds
te zullen kunnen voltooien, van de paragrafen "droge naald" en
"mezzotint" voor het onderdeel "toegepaste grafische
technieken" door omstandigheden nog niet gereed was, volgt hier een
uiteenzetting over de techniek van de orgelprenten, waarbij wij dankbaar
gebruik maakten van Boersma's concepttekst en van een uitleg van Veermans
techniek in een circulaire van de voorm. VLP-Uitgeverij, Haarlem 2000
De plaat is van te voren met een soort heel fijn schuurpapier zo egaal
mogelijk opgeruwd, wat bij het afdrukken een middentoon van grijs geeft.
En op de aldus toebereide plaat werkt Susanna Veerman dan van het grijs
uit in twee richtingen: naar het donker toe en naar het licht toe.
Naar het donker toe tekent ze de zwarte lijnen met de "droge"
naald.
In tegenstelling tot de gewone etsnaald (die een enigszins stomp en glad
geslepen uiteinde heeft waarmee in de dunne laag etsgrond getekend wordt
en dat daarbij dan losjes over het plaatoppervlak glijdt, d.w.z. zonder
daarin door te dringen), heeft de "droge" naald ( "pointe sèche";"drypoint";
"Kaltnadel") een vlijmscherp geslepen punt, waarmee men
rechtstreeks en met louter fysieke kracht (zonder de inwerking van een
bijtende vloeistof, vandaar dat men spreekt van "droog") meer of
minder diep in het plaatoppervlak krast.
[Het plaatmateriaal dat zich bevond waar de groef ontstaat moet uiteraard
ergens naartoe. Bij een gravure wordt het als een dun
driezijdig-prismatisch krulletje door de punt van de burijn uit het
plaatoppervlak weggestoken; bij het echte (natte) etsen wordt het chemisch
omgezet in een metaalverbinding die opgelost in de etsvloeistof terecht
komt. Bij een droge-naaldlijn ziet men daarentegen iets dat kan doen
denken aan een pasgegraven sloot. Zoals bij het graven van een sloot de
weggeschepte aarde als een hobbelig dijkje langs de rand van de sloot zich
boven het oppervlak van het land verheft zo kan men langs de rand (meestal
langs beide randen) van de droge-naaldkrassen eveneens kartelige
verhogingen zien en voelen. Het plaatmateriaal wordt namelijk door de punt
van de naald uit de groef
geforceerd en steekt als een dun richeltje boven het plaatoppervlak uit
(welk richeltje, in tegenstelling tot de losse aarde langs de sloot, door
de forcerende werking van het krassen in het metaal uitermate hard,
gespannen, en breekbaar is).
Dit rafelige dijkje, "braam" geheten, houdt na het ininkten en
bij het wissen ("afslaan") van de plaat bijzonder veel inkt vast
(veel meer dan het fijne en gladde groefje zelf in de plaat) en zorgt voor
zware, krachtige lijnen en diepe, fluwelige zwarten, die heel
karakteristiek zijn voor een droge-naaldets (want hoewel het metaal niet
echt chemisch is weggeëtst heet zo'n prent traditiegetrouw toch een
"ets") en die door geen enkele andere grafische werkwijze kunnen
worden geëvenaard.
Het Müller-orgel in de Waalse Kerk in Amsterdam
Susanna Veerman2000) droge naald en mezzotint (209 x 131mm.)
Oorspronkelijk
(afgezien van de wonderbaarlijke hoogst uitzonderlijke prentjes van de
mysterieuze "Meester van het Amsterdamse Kabinet") werd een
scherpgepunte naald door de etsers incidenteel als een voor de hand
liggend simpel hulpwerktuigje bijna uitsluitend gebruikt voor laatste
afwerkingen van de plaat, in het bijzonder voor noodzakelijk geachte
kleine correcties (waarbij de braam gewoonlijk onmiddellijk werd weggeschraapt).
Maar in het midden van de 19e eeuw begonnen, aangevuurd door de arts
en amateur-meesteretser Francis Seymour Haden en diens schoonzoon James
A. McNeill Whistler, de etsers, auteurs en andere liefhebbers er zich
rekenschap van te geven hoe origineel met name onze Rembrandt in zijn
latere etsen het krassen met een scherpe naald en het geweldige effect van
de braam had weten te gebruiken als een heel eigen en zelfstandig
uitdrukkingsmiddel; en gingen sommige kunstenaars de moeilijke - een nogal
sterke pols vereisende - "drogenaald"-techniek (deze benaming
komt pas dan in zwang) heel welbewust beoefenen.
Befaamd zijn sedertdien de trefzekere drogenaald-etsen van o.m. de
genoemde SeymourHaden en Whistler, van Rodin, Muirhead Bone, en van
Picasso].

Veerman tekent het wit door het egaal enigszins geruwde (en dus grijs
afdrukkende) plaatmateriaal met een heel harde stompe stift
("polijstnaald") plaatselijk weer glad te duwen. Doordat bij het
afslaan van de plaat de inkt daar dan geheel van het plaatoppervlak wordt
weggeveegd, lijken de plekken die zij aldus gepolijst heeft, op de afdruk
te zijn gedaan met wit potlood of krijt op grijs papier. De
karakteristieke krassen van de droge naald en de gepolijste hoogsels
kan men goed zien in de uitvergroting van een detail van Cat. nr. 3B:
Het
Cavaille-Coll orgel in de Augustinuskerk te Amsterdam
(ets Susanna Veerman)